De vier WAO’s.

Bij de kabinetsformatie staat de WAO weer in het middelpunt. En zoals gebruikelijk ontstaat er gelijk een warrige discussie over wat nou “sociaal” is,  en wat “rechtvaardig” is. Dit soort discussies zijn blijkbaar onvermijdelijk als het over de WAO gaat. Hoe komt dat nou? Is het dan echt zo ingewikkeld?

Ja, de WAO is inderdaad ingewikkeld. Niet alleen de precieze regels en de uitvoering daarvan, maar vooral het doel van de WAO. Of eigenlijk, de doelen. Want de WAO combineert vier soorten van sociale voorzieningen, en er zijn dus eigenlijk ook vier soorten WAO-gevallen.

De eerste soort is de verzekering tegen de gevolgen van bedrijfsongevallen. Als een magazijnbediende een pallet op zijn been krijgt, en daardoor niet meer kan werken, dan zorgt de WAO ervoor dat hij althans in financiele zin niet al te veel schade ondervindt. Eigenlijk is dit natuurlijk iets wat door de bedrijven zelf geregeld zou moeten worden, maar dat is moeilijk te garanderen. Vandaar dat er al in een vroeg stadium een Ongevallenwet is gekomen. Deze is door de WAO vervangen.

De tweede soort is een inkomensverzekering voor mensen die werken, en op het aldus verkregen inkomen hun leven inrichten. Als men door onvoorziene omstandigheden dan op middelbare leeftijd niet meer kan werken, dan is het erg zwaar ook nog eens het bestaande leven op te moeten geven omdat er veel minder geld binnenkomt. De WAO beoogt voor deze categorie een inkomen te garanderen dat dichtbij het oorspronkelijke arbeidsinkomen ligt.

Een standaardvoorbeeld in deze categorie is de arbeider van 55 die door rugproblemen niet meer zijn werk kan uitoefenen. Het onderscheid tussen deze groep WAO-ers en anderen die door het arbeidsproces worden uitgestoten maar in de WW terecht komen, is niet altijd goed te maken. In vooral de late jaren 70 en vroege jaren 80 zijn in deze categorie veel “verborgen werklozen” terecht gekomen.

De derde soort is de WAO als voortzetting van de Ziektewet. Het gaat om diegenen die in de WAO terecht komen omdat ze langdurig (en vaak ook ernstig) ziek zijn. Slachtoffers van zware ongevallen die een langdurige revalidatie doormaken, vallen in deze groep. Voor deze groep is de WAO (als het goed is) een tijdelijke oplossing: ze keren weer terug, en blijven niet tot hun 65e in de WAO.

De vierde soort tenslotte is de WAO als vangnet voor mensen die niet geschikt zijn (of lijken) voor het arbeidsproces. Als dit blijkt voordat je aan het arbeidsproces deelneemt, kom je in de WAJONG (Wet Arbeidsongeschiktheid Jonggehandicapten) terecht. Dat is een regeling op bijstandsniveau, maar uiteraard zonder sollicitatieplicht. Maar als je wel even gewerkt hebt, en dan blijkt dat je minder geschikt bent voor het arbeidsproces, dan kom je in de WAO. Dat is aantrekkelijker dan de bijstand, omdat de WAO vaak een hogere uitkering oplevert, en bovendien geen vermogenstoets heeft. Je hoeft je spaargeld of je huis dus niet op te eten. Dit is de grootste probleemcategorie van dit moment, namelijk de mensen die op jonge leeftijd en met weinig werkervaring worden afgekeurd om psychische redenen.

Omdat de WAO eigenlijk vier groepen WAO-ers bedient, is het zo moeilijk om een probleem bij een van die groepen op te lossen. Immers, een maatregel bedoeld om bijvoorbeeld de instroom van categorie vier te beperken, zal onvermijdelijk onbedoelde en ongewenste gevolgen hebben voor gevallen uit de drie andere categorieen. En die gevolgen worden dus weer als argument gebruikt door de tegenstanders van de nieuwe maatregel. Het is wel jammer dat in de discussie over de WAO deze vier groepen zelden of nooit duidelijk worden onderscheiden, waardoor die discussie al snel ontaardt in een geroep dat een bepaalde maatregel “asociaal” dan wel “overdreven duur” is.

Een oplossing zou natuurlijk zijn om die vier categorieen apart te regelen. In de meeste buitenlanden is het zo gedaan. De afzonderlijke regelingen zijn redelijk makkelijk te maken. Je  weet dan over welke categorie je praat, je weet wat je wilt bereiken.

Maar hieraan kleeft ook een bezwaar, namelijk dat men dan moet gaan bepalen tot welke van die vier categorieen een WAO-geval behoort. Dat is lang niet altijd simpel. Natuurlijk, die magazijnbediende met dat pallet op zijn been is een duidelijk bedrijfsongeval. Maar hoe zit het met RSI-gevallen? Of met iemand die overspannen is geworden? Daaraan is de werkomgeving vaak mede een oorzaak. Maar hoe dan in te delen? Het voordeel van de huidige WAO is dat dit soort Salomonsoordelen niet geveld hoeft te worden.

Toch zullen we die kant op moeten. Want als we de vier WAO’s als een WAO blijven zien, moeten we steeds de meest gunstige regeling gebruiken. En dat is eenvoudig te duur, dat is de afgelopen jaren wel gebleken.

Mat Huizing