Meritocratie

Op de lagere school zat ik in de klas bij Thea. Thea was een leuk meisje, dat bovendien hersens had.  Aan het einde van de school moest bepaald worden naar welke scholen we zouden gaan. Thea ging naar de mavo. Dat was al heel wat, want haar vader was landarbeider. Elke vervolgopleiding was dan al hoog gegrepen. Jaren later, op een reunie,  hoorde ik dat ze via allerlei omwegen psychologie gestudeerd had en inmiddels als psychologe werkzaam was. Dit is een verheugend verhaal, maar het zou natuurlijk nog mooier zijn geweest als ze die omwegen niet had hoeven maken.

Inmiddels hebben we, volgens de socioloog Ultee (in de NRC van afgelopen donderdag), een maatschappij waarin iedereen de kansen krijgt om uit te komen op het niveau waar hij thuishoort. Er is dus geen "onderdrukt" talent meer in de lagere niveaus van de maatschappij. We hebben een "meritocratie", een maatschappij waarin positie niet meer door afkomst wordt bepaald, maar door capaciteiten.

Dat klinkt goed en rechtvaardig. Iedereen komt op de plek die hem past, niemand wordt gediscrimineerd. Dat zou het geluk van de mensen ten goede moeten komen.

Het gekke is echter dat volgens Ultee juist dit verschijnsel leidt tot ongenoegen. Mensen in de onderste lagen van de maatschappij zouden een gevoel van uitzichtloosheid krijgen. Je wordt weliswaar niet meer voor een dubbeltje geboren, maar je weet nu dat je niet meer dan een dubbeltje waard bent. En deze gewaarwording leidt tot desinteresse en ressentiment.

Op het eerste gezicht is dit een vreemde redenering. Want vroeger kon je wellicht geen dokter worden omdat je te dom was of omdat je vader landarbeider was, en tegenwoordig alleen maar omdat je te dom bent. Als je slim genoeg bent kan het nu wel, wat je vader ook is. Dus vroeger waren er twee obstakels, tegenwoordig maar één. Maar dat ene obstakel ben je wel zelf. Je kunt niemand anders de schuld geven.

Hoe dan ook, die sociale mobiliteit is er. Dat was het ideaal van de sociaal-democratie, en dat is dus blijkbaar bereikt. De arbeidersdochter wordt arts, als zij dat kan, en het dokterszoontje wordt arbeider, als er niet meer inzit. Hier zien we meteen de zwakke punten van de meritocratie.

Het eerste zwakke punt:  dat dokterszoontje wordt natuurlijk helemaal geen arbeider. De mobiliteit naar boven is er wel, maar de mobiliteit naar beneden zal op veel weerstanden stuiten.  Dit zal ook de opwaartse mobiliteit remmen, want tenslotte kan niet iedereen dokter worden. Ultee noemt in dit verband de "opgeklopte talenten": matig getalenteerde kinderen uit de betere milieus die door hun ouders koste wat kost een hoge opleiding krijgen, en een hoge positie moeten bereiken. De betere milieus proberen zich af te schermen voor de mindere lagen.

Het tweede zwakke punt: hierboven werd aangenomen dat de kans dat een arbeiderskind in aanleg een dokter is, even groot is als voor een dokterskind. Vroeger was dat ook zo. De talenten van arbeiders bleven binnen hun sociale laag, omdat de getalenteerden niet uit hun sociale laag konden klimmen. Maar in een meritocratie is dat anders: de talentvollen worden uitgeselecteerd en komen in een andere laag terecht. Als talent in forse mate erfelijk is en/of anderszins door het ouderlijk milieu bepaald wordt, dan is het gevolg dat na verloop van tijd nauwelijks nog potentiele dokters onder de laaggeplaatsten worden geboren. Dit is een onrustbarende gedachte, want het gevolg is dat een meritocratie vanzelf tot een nieuwe opdeling op basis van afkomst leidt, zeker in combinatie met de hiervoor genoemde beschermingsconstructies van de betere mileus.

Dat is ook wat Ultee beschrijft. Er is een toenemende isolatie van de lagen in de maatschappij. We gaan in toenemende mate alleen nog maar om met mensen in onze eigen laag. We spreken nauwelijks meer mensen uit een andere laag: niet op het werk, niet op het dorp (want dat bestaat niet meer), niet op verjaardagen, nergens. En het belangrijkste: er zijn nauwelijks "gemengde" huwelijken, waarbij de partners uit verschillende lagen komen. De maatschappij is samengesteld uit groepen die nauwelijks contact met elkaar hebben.

En zo zijn we terug bij af. De meritocratie in combinatie met de zelfbescherming van de burgerij scheppen na verloop van tijd toch weer een sociale hierarchie. Weliswaar een hierarchie waaruit ontsnappen mogelijk is, en bovendien een hierarchie die gebaseerd is op capaciteiten, en niet op afkomst. Maar als dit lang genoeg duurt, zal het daar toch weer op neer komen.

Ik vind dit geen aantrekkelijk vooruitzicht. De vraag is dan ook hoe we de meritocratie, die op zichzelf een vooruitgang is, zodanig laten werken dat we de geschetste neveneffecten zoveel mogelijk vermijden. Een mooie opdracht voor de 21e eeuw, lijkt me.

Mat Huizing