Het stuk van vorige week heeft veel reacties opgeroepen. Sommigen vonden het idee voor een ander kiesstelsel een goed idee, anderen vonden het apekool. Daarom kom ik er hier nog een keer op terug, in de vorm van een aantal stellingen.
Stelling 1: er is sinds de val van de muur een einde gekomen aan de ideologie in de politiek. Politiek is alleen nog maar pragmatisme.
Ik geloof hier niets van. Inderdaad is de laatste decennia de communistische/socialistische ideologie in diskrediet geraakt, maar dat is hooguit het einde van DIE ideologie. En ook dat is nog maar de vraag. In ieder geval is het liberalisme springlevend, en zo aanwezig dat we het soms niet eens meer als ideologie herkennen. Naast het liberalisme duiken ook conservatieve en op de gemeenschap gerichte ideologieen op.
Ideologie is ook niet weg te denken uit de politiek. Iedereen die over politiek nadenkt of politiek bedrijft hanteert (soms slechts impliciet) een stelsel van ideeen en principes die de gemaakte keuzes beinvloeden. Dat kan ook niet anders. . Het einde van de ideologie is reeds meermalen aangekondigd (ook al in de jaren 1950 bijvoorbeeld) en het is steeds onzin gebleken. Dat is ook nu zo.
Stelling 2. De politieke partij is een overleefd verschijnsel.
Hoezo? Een politieke partij heeft een aantal functies. Het organiseren van campagnes, het stellen van kandidaten, het kweken en selecteren van volksvertegenwoordigers en bestuurders, het organiseren van burgers met een ongeveer gelijke ideologische achtergrond, het afwegen van belangen in het kader van die ideologie. Stuk voor stuk nuttige zaken. Dat politieke partijen hun rol vaak op een amateuristische of ouderwetse manier spelen, is waar, maar dat maakt ze nog niet overbodig.
Stelling 3. Een districtenstelsel is een goed idee.
Een districtenstelsel is helemaal geen goed idee. Een systeem waarin het land wordt opgedeeld in districten, en elk district een vertegenwoordiger kiest (een districtenstelsel) heeft vooral nadelen. Om gekozen te worden moet je een meerderheid in het district moet halen. Voor kandidaten die slechts een kleine groep vertegenwoordigen, is dat vrijwel onmogelijk. Het gevolg is dat de Tweede Kamer vrijwel volledig uit vertegenwoordigers van twee grote partijen zal bestaan. Minderheidsgeluiden worden dus minder goed gehoord. Dat komt de democratie natuurlijk niet ten goede.
Voorts is het systeem erg vatbaar voor manipulatie, omdat de grenzen van de districten willekeurig zijn. Het is mogelijk door met die grenzen te schuiven een partij te bevoordelen.
Stelling 4. Evenredige vertegenwoording is een slecht systeem omdat het versnippering in de hand werkt.
Inderdaad werkt evenredige vertegenwoordiging (het systeem dat wij hebben) kleine partijen in de hand. Als men voldoende aanhang heeft om een zetel te halen (en daarvoor is 0.66% van de stemmen voldoende), kan men al een zelfstandige fractie hebben. Maar waarom zijn kleine partijen slecht? Als we naar de Tweede Kamer kijken, dan zijn het juist de kleine fracties die goed functioneren
Die “versnippering” is dus geen probleem, integendeel. De evenredige
vertegenwoordiging zelf heeft vooral voordelen. Het systeem zorgt voor
stabiliteit, de drempel voor vertegenwoordiging is laag, het bevordert
de inhoudelijke discussie, het bevordert overleg, kortom: het is een uitstekend
systeem. Onderzoek wijst er ook op dat landen die evenredige vertegenwoordiging
kennen (zoals
Nederland), duidelijk beter bestuurd worden dan landen zonder (zoals
Groot-Brittanie).
Stelling 5. In Nederland zijn de kieslijsten een probleem.
Dat is waar. De noodzaak om met lijsten te werken heeft twee nadelen. Er ontstaan onzinnig grote fracties, en dat werkt niet goed. . De fractieleden van grote fracties zijn vooral bezig elkaar vliegen af te vangen in plaats van het volk te vertegenwoordigen. Voor dat laatste krijgen ze ook nauwelijks gelegenheid want door hun grote aantal hebben ze veel te kleine portefeuilles. De spoeling is dun.
Een nieuwe partij met een aanhang van enige omvang moet gelijk met een complete kandidatenlijst komen. Dat werkt als een obstakel, en komt de kwaliteit van de kamerbezetting niet ten goede. De huidige problemen van de LPF zijn hier de gevolgen van.
Kortom: we moeten de evenredige vertegenwoordiging in stand houden, zonder dat je de ongelijke grootte in fracties krijgt die we nu hebben.
Een systeem waarbij je wel personen (en dus niet lijsten) kiest, maar de macht niet wordt uitgemaakt door het aantal personen in de Tweede Kamer, zou dan een oplossing zijn (zoals vorige week beschreven). Om de evenredige vertegenwoordiging in stand te houden, moeten de gekozenen een aantal stemmen krijgen in overeenstemming met hun aanhang.
Na de laatste verkiezingen zou de Kamer dan tien leden hebben: de heer Balkenende met 28 stemmen, de heer Dijkstal met 16 stemmen, de heer Melkert (!) met 15 stemmen, de heer Rosenmoller met 6 stemmen, de heer De Graaf met 5 stemmen, de heer Teeven met 1 stem, de heer Van der Vlies met 2 stemmen, de heer Veling met 2 stemmen, de heer Marijnissen met 6 stemmen, en de plaatsveranger van de heer Fortuyn (wie?) met 17 stemmen.
Een alternatief is om per persoon een vaste fractie van laten we zeggen 5 personen toe te laten. In plaats van alleen Dijkstal krijgen we een groepje bestaande uit Dijkstal, Zalm, Jorritsma, De Grave en Hoogervorst, met nog steeds 16 stemmen. Die moeten nog steeds als blok worden uitgebracht.
Alle fracties zijn dan klein, maar toch is er evenredige vertegenwoordiging. De voordelen van dat systeem blijven behouden, zonder het nadeel van de grote fracties. En voor nieuwkomers als Fortuyn wordt de drempel verlaagd. Zij hoeven niet een partij op te richten die eigenlijk geen doel heeft.
Mat Huizing