Allemaal fascisten

“Er was een tijd dat ik het meeste
te vertellen had op feesten
waar ik met verlichte geesten
vaak de politiek besprak,
waarin wij ons nooit vergisten,
mensen die het beter wisten
waren allemaal fascisten
die het aan verstand ontbrak.”

Mooie tekst, loopt als een trein. De tekst komt uit het lied Vrijgezel, en is geschreven door Lennaert Nijgh, de deze week overleden tekstschrijver van vooral Boudewijn de Groot, en de schrijver van de meesterlijke roman “Tobia, of de ondergang van het masturbariaat”.

De tekst verwoordt ook fraai de gedachtengang van veel linkse intelligentsia, of wat daarvoor doorging, in de jaren 1960 en 1970. Rechtsen hadden niet alleen een andere mening, nee, ze hadden vaak ook een andere persoonlijkheid. Ze geloofden in “fatsoen”, in handhaving van recht en orde. Rechtsen waren veel gevoeliger voor autoriteit dan linksen, en eigenlijk waren ze fascisten, ook als ze dat zelf niet in de gaten hadden. Dan waren ze latent. Dat zijn de ergsten.

Deze denkwijze was onder meer gebaseerd op het boek “The authoritarian personality” van Th. W. Adorno en M. Horkheimer. In dat boek werd uit de doeken gedaan dat een rechtse politieke opvatting doorgaans duidde op een persoonlijkheidsstructuur waartoe niet alleen een voorkeur voor fatsoen, recht en orde behoorde, maar ook antisemitisme en intolerantie en bevooroordeeldheid in het algemeen, alsmede een afkeer van moderne kunst. Adorno verschafte zelfs een zogeheten “F-schaal” (inderdaad, de F van fascisme) waarmee men zichzelf of (beter natuurlijk) anderen kon meten om aldus vast te stellen in hoeverre men een potentiele nazi was. Erg handig.

Deze theorie was ontstaan in de tijd van de Tweede Wereldoorlog en de periode kort daarna toen men, verbijsterd door het gemak waarmee het nationaal-socialisme in Duitsland aan de macht was gekomen en vervolgens had huisgehouden, naar verklaringen hiervoor zocht. En die meende men te vinden in de (vaak verborgen) intolerantie van een groot deel van het volk. Men meende dus dat diep in hun hart veel mensen intolerant en geneigd tot fascisme zijn.

Als dit waar is, is het natuurlijk een bom onder de democratie. Want dan zou democratie gemakkelijk tot een Hitler kunnen leiden, en moet je dan nog wel voor de democratie zijn? Veel progressieven trokken daaruit de conclusie dat progressieve politiek het volk moet leiden, maar dat het volk vooral niet teveel te vertellen moet krijgen. Het meest duidelijk is dat natuurlijk in het communisme, dat uitgaat van een revolutionaire elite die weet wat goed is voor de mensen. Maar het idee is ook doorgedrongen in meer gematigde progressieve politieke stromingen.

In tegenstelling tot het communisme, wilden die gematigde stromingen, zoals de sociaal-democratie, eigenlijk wel democratisch zijn. Maar de angst voor het openen van de doos van Pandora, voor een nieuwe Hitler, leefde wel. Het resultaat was het “depolitiseren” van gevaarlijke onderwerpen. Bijvoorbeeld immigratie, integratie en wat dies meer zij. Dat was natuurlijk een onderwerp waarbij “sentimenten” en zelfs “onderbuikgevoelens” op de loer liggen. En daar mocht niet op ingespeeld worden! Want dan is de beer los, en voor we het weten is het weer 1933.

En dus werd het onderwerp taboe verklaard en buiten de politieke discussie gehouden. Als iemand zich daar niet aan hield werd hij tot racist verklaard indien hij van een kleine partij was (Janmaat) of tot populist indien hij van een grote partij was (Bolkestein). Problemen werden ontkend, en de discussie werd uit te weg gegaan of gevoerd met onzinargumenten (je kunt zo lekker eten in Lombok!) of met formele flauwekul (we kunnen er niks aan doen want het mag niet van het Vluchtelingenverdrag of zoiets.)

Recent deed zich, tot mijn verbazing, hetzelfde voor bij de discussie over de doodstraf. Minister Nawijn begon daar over.  Er volgde een debat in de Kamer. Je zou verwachten dat de tegenstanders van de doodstraf eens rustig alle argumenten tegen de doodstraf uiteen zouden zetten. Dat zijn er nog al wat, en de discussie over de doodstraf is voor tegenstanders met erg goede argumenten te voeren. Toch deed men het niet, en ging men in plaats daarvan over tot wat gratuite afschuwuitsprekerij en verder veel gezeur over wat Nawijn nou wel of niet in het interview met Nova of Nieuwe Revu gezegd had, en welke pet of petten hij daarbij ophad. En aldus kwam Nawijn nog half als een soort held uit het debat.

Dat is dom, maar toch is er een reden voor: veel progressieven denken dat heel veel mensen diep in hun hart voor de doodstraf zijn. En ze denken dat als daarover serieus gediscussieerd wordt, er een meerderheid voor ontstaat voordat we het weten. “Allemaal fascisten”, ziet u.

Het zou natuurlijk waar kunnen zijn dat een groot deel van de bevolking Heel Verkeerde Ideeen heeft. Maar ik denk dat het wel meevalt, en, wat belangrijker is: mensen kunnen van mening veranderen als ze goede argumenten te horen krijgen. Democratie is inderdaad gebaseerd op argumentatie en discussie. Als je die niet wilt voeren omdat je meent dat je tegenstanders een pathologische karakterstructuur hebben, dan zit je niet in een democratische staat, maar in een gekkenhuis.

Mat Huizing