Diplomatie of democratie

Eén van de aardigste bordspelen die ik ken, is het spel Diplomacy. De deelnemers spelen een Europees land aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, en moeten proberen zoveel mogelijk gebieden te veroveren. Het spel zit zo in elkaar dat dit alleen kan door het sluiten van bondgenootschappen, en die op achterbakse wijze ook weer te verbreken. List en bedrog vieren hoogtij.

Het spel heet niet voor niets Diplomacy: het is een (extreme) weergave van hoe men in de wereld van de diplomatie tegen de internationale politiek aankijkt. De landen of staten zijn de eenheden waar het om gaat, die hebben ‘belangen’ en die moeten behartigd worden. Die belangen zijn de belangen van de heersers, niet van de burgers. Dit was de kijk van middeleeuwse vorsten, die bezig waren met de belangen van hun dynastie. Het is de kijk van dictators die hun eigenbelang met dat van hun land vereenzelvigen, en het is is ook de kijk van “geopolitici” als Henry Kissinger bij wie het scheppen van machtsblokken en het spelen met een machtsevenwicht een doel in zichzelf is.

Maar in plaats van te kijken naar de ‘belangen’ van de staten, kun je ook kijken naar de belangen van de inwoners van die staten. Bij democratieen is het belang van de burgers en dat van de staat zelf min of meer identiek, bij dictaturen niet. De buitenlandse politiek van de Verenigde Staten werd gedurende de 20e eeuw gedomineerd door een idealisme: men wilde de vrijheid en de democratie elders bevorderen, en de buitenlandse politiek was daartoe een instrument. President Woodrow Wilson gaf als reden op voor deelname aan de Eerste Wereldoorlog: “To make the world safe for democracy.”

En dat is ook gebeurd. De VS hebben ingegrepen in de twee  wereldoorlogen, in Korea, in Vietnam, en in een reeks van kleinere conflicten. Meestal met succes, en met één grote mislukking: Vietnam. Steeds probeerden de VS na de oorlog het overwonnen land er economisch en politiek bovenop te helpen. Het bekendste voorbeeld is het naoorlogse Marshallplan voor Europa. Het Amerikaanse beleid was op idealisme gebaseerd, maar dit betekent niet dat machtspolitieke overwegingen geen rol speelden. In de praktische uitvoering was dat vaak wel het geval.

In de periode 1945 – 1989 werd de missie van de VS gezien als de strijd tegen het communisme. Inmiddels is de Koude Oorlog gewonnen, en moet de VS het doel van de strijd opnieuw definieren. Dat is wat de zogenaamde Bush-doctrine doet: opnieuw beschrijven wat het doel van de VS is in de buitenlandse politiek, en hoe dat doel bereikt moet worden.

Aan de hoofdlijn is niets veranderd; het is nog steeds “to make the world safe for democracy.” Maar in de uitwerking zijn wel een paar grote vernieuwingen. De belangrijkste vijand zijn nu het terrorisme en de “rogue states” (schurkenstaten) als Noord-Korea en Irak. In de visie van de VS zijn dit altijd anti-democratische krachten. Democratische terroristen en democratische “rogue states” bestaan niet. Nieuw is ook de nadruk op preventie. De VS willen preventief actie kunnen ondernemen tegen landen die een bedreiging voor de wereldvrede gaan vormen. Op die manier wordt het terrorisme tegengegaan, en hoopt men ook de vorming van een nieuw anti-democratisch blok te voorkomen.

Nieuw lijkt ook het zogenaamde unilateralisme. De VS willen hun politiek graag uitvoeren samen met vrienden en bondgenoten, maar als dat mogelijk is, dan zullen ze het alleen doen. Dit geldt ook voor de Verenigde Naties: als ze de VS steunen, dan is dat mooi, maar als ze dat niet doen, zullen de VS zich er niet door laten weerhouden te doen wat nodig is.  Over deze opstelling is ophef ontstaan, maar de opstelling van de VS is wel te begrijpen.

De VN is een verzameling van gelijkwaardig geachte staten, waarbij niet gekeken wordt naar de opvattingen en handelswijze van die staten. Dictaturen worden op dezelfde manier behandeld als democratieen, want bijna alle staten zijn lid. De kijk van de middeleeuwse vorsten en van het spel Diplomacy dus. De VN kunnen dus nooit volledig zichzelf in dienst stellen van de bevordering van vrijheid en democratie, want veel leden zijn daar tegen. Zo beschouwd is het begrijpelijk dat de VS niet de oren laat hangen naar de VN. Het unilateralisme is dus een logisch uitvloeisel van een idealistische buitenlandse politiek. Als je een ideaal wilt verwezenlijken, dan moet je niet als voorwaarde stellen dat om iets te doen iedereen het ermee eens moet zijn. Dan zou je dat ideaal al verwezenlijkt hebben.

Echt nieuw is het unilateralisme niet.  De VS opereerden vroeger ook al vaak min of meer unilateraal, en verder is het nog steeds zo dat het voor de VS handig is om internationale steun te hebben, Bush-doctrine of niet. Wel is nieuw dat het zo openlijk wordt gezegd, en voorts is ook de rol van de traditionele bondgenoten in West-Europa minder belangrijk geworden. Sinds de val van de muur ligt West-Europa niet meer aan het front, en bovendien zijn de westeuropese landen sindsdien geneigd wel de woorden maar niet de daden van een grote mogendheid te hebben.

Al met al maakt de Bush-doctrine duidelijk waarvoor de VS staan: geen cynisch diplomatiek geschuif, geen inhoudsloze geopolitiek, maar een politiek gericht op verbreiding van vrijheid en democratie. Het gaat om de burgers, niet om de staten zelf. Dat is mooi. Iets anders is natuurlijk de uitvoering. De vraag bijvoorbeeld of Irak wel of niet moet worden aangevallen, is met de doctrine nog niet beantwoord. Ja, een aanval past in de doctrine. Maar is een aanval ook verstandig?

Mat Huizing