Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw wordt van tijd tot tijd in Nederland
een pleidooi
gehouden voor directe democratie, waaronder dan in de praktijk referenda
verstaan worden. Meestal is daarbij het argument dat in de indirecte
democratie (met gekozen volksvertegenwoordigers) de besluitvorming
slecht
functioneert. Dit komt volgens de critici doordat het partijstelsel
niet
meer op zijn plaats is in deze tijden, waarin van duidelijke
tegenstellingen tussen ideologieën geen sprake meer is.
Als referenda en vertegenwoordiging gecombineerd worden, ontstaat echter
een slecht werkend systeem. De kiezers geven de politici een mandaat
voor
het besturen van het land, waarna dezelfde kiezers de politici vervolgens
via referenda in de wielen gaan rijden, en ze het uitvoeren van dat
mandaat onmogelijk maken.
In de huidige situatie is niet duidelijk waar men op stemt: formeel
op
een persoon (meestal de lijsttrekker), in werkelijkheid meer op een
partij. Velen zoeken dan ook hier een oplossing die minder ver gaat
dan
de invoering van het referendum, namelijk een stelsel waarin de kiezer
een persoonlijke vertegenwoordiger kiest. De gangbare vorm hirvan is
het
districtenstelsel. Per district is er één vertegenwoordiger,
of althans
een zeer beperkt aantal. Zo zou de band tussen kiezer en gekozene sterker
worden.
Om het huidige kiesstelsel te begrijpen, is het zinvol even naar het
ontstaan te kijken. In Nederland is een mengvorm ontstaan van een stelsel
waarin de kiezer een partij kiest en van een stelsel waarin hij een
persoonlijke vertegenwoordiger kiest. Na de invoering in 1848 van een
districtenstelsel kozen de stemgerechtigden aanvankelijk een persoonlijke
vertegenwoordiger. Aan het einde van de vorige eeuw wilde men overstappen
naar een partijgebonden systeem. Ten eerste omdat de politici over
het
algemeen goed bij een partij in te delen waren. Ten tweede omdat
die
partijen of zuilen in grote mate de keuze van de kiezers bepaalden.
En
ten derde omdat de persoonlijke kwaliteiten van de kandidaten een
ondergeschikte rol waren gaan spelen. Dit nieuwe partijgebonden systeem
had als bijkomend voordeel dat het makkelijk gecombineerd kon worden
met
evenredigevertegenwoordiging. Vooral voor de confessionele stromingen
was
dit aantrekkelijk. De uiteindelijk gekozen vorm was een mengvorm: de
kiezer stemde op een persoon, maar door die personen te combineren
in
partijgebonden lijsten, in feite op een partij. Dit stelsel hebben
wij
nog steeds.
Tegenwoordig zijn de ideologieën op de achtergrond geraakt. De
verschillen tussen de grote partijen zijn klein. En bovendien zijn
die
verschillen voor de kiezer minder belangrijk. Daarnaast is de televisie
het voornaamste politiek communicatiemedium geworden ten koste van
de
gedrukte pers. Een gevolg is een meer aandacht voor de persoon en minder
voor zijn verhaal. Hierdoor groeit de Nederlandse politiek eigenlijk
weer
naar persoonlijke vertegenwoordiging.
Deze grotere aandacht voor de personen heeft niet alleen maar nadelen.
We
geven ons vertrouwen immers makkelijker aan personen dan aan vage
lichamen als politieke partijen. Personen zijn in hun reactie op
onverwachte ontwikkelingen ook voorspelbaarder dan partijen. In ieder
geval ligt de verantwoordelijkheid duidelijk: bij de gekozen persoon.
Persoonlijke vertegenwoordiging is dan ook beter voor de democratie.
Maar
het districtenstelsel, de standaard belichaming van persoonlijke
vertegenwoordiging, stuit op veel bezwaren.
Het grootste bezwaar tegen het districtenstelsel is dat de evenredige
vertegenwoordiging verdwijnt. Kiezers worden gedrongen in een polarisatie
die hen vaak niet welkom is, en ook de besluitvorming negatief kan
beïnvloeden. En hierdoor worden minderheidsgeluiden niet meer
in het
parlement gehoord, tenzij een minderheid toevallig in een district
een
meerderheid is. Een ander bezwaar is dat de indeling in geografische
districten willekeurigis. Waarom moet ik een vertegenwoordiger met
mijn
buren delen, en niet bijvoorbeeld met de burgers die hetzelfde beroep
uitoefenen, of die dezelfde leeftijd hebben, of wier achternaam ook
met
een H begint? Bovendien leent de indeling in kiesdistricten zich
uitstekend voor manipulatie: door slim te schuiven met districtsgrenzen
kunnen meerderheden voor een partij gecreëerd worden die er op
het eerste
gezicht niet zijn.
Toch is het wel degelijk mogelijk de voordelen te combineren van
persoonlijke vertegenwoordiging met die van evenredige
vertegenwoordiging. Het kiesstelsel moet dan wel ingrijpend worden
gewijzigd. Dat kiesstelsel werkt dan als volgt. Personen stellen zich
kandidaat. Er zijn dus geen kieslijsten meer. De kiezers stemmen op
de
kandidaat van hun voorkeur. In een parlement komen alle kandidaten
te
zitten die de kiesdrempel van bijvoorbeeld 1% van de stemmen hebben
gehaald. In het parlement hebben gekozen vertegenwoordigers evenveel
stemmen als er op hen zijn uitgebracht. Deze stemmen moeten bij een
stemming als geheel worden gehanteerd. Een vertegenwoordiger kan zijn
stemmen dus niet splitsen: zijn stemmenblok telt als voor of tegen.
De
macht van de gekozene is evenredig aan het aantal op hem uitgebrachte
stemmen. In dit stelsel is een parlement veel kleiner dan nu
(waarschijnlijk enkele tientallen personen), en de omvang varieert
per
zittingsperiode.
Een variant is een systeem waarin slechts de bijvoorbeeld 50 personen
met
de meeste stemmen in het parlement komen. Zo wordt vermeden dat bij
grote
versnippering slechts enkele personen de kiesdrempel halen, en daardoor
onevenredig veel macht krijgen.
Gekozen kandidaten kunnen in het parlement uiteraard met elkaar
samenwerken. Hierdoor ontstaat waarschijnlijk toch weer een zekere
blok-
of partijvorming, maar de politieke partijen zoals wij die kennen
verdwijnen, althans in het parlement. Een politieke partij kan natuurlijk
wel een "machine" vormen om een kandidaat te stellen en deze zoveel
mogelijk stemmen te bezorgen. Het staat een kandidaat ook vrij om een
groep van vertrouwenwekkende personen te formeren. Het uiteindelijke
stemrecht blijft echter exclusief bij hemzelf. Er moet wel een regeling
zijn voor de vervanging na overlijden of bij anderszins onbekwaam worden
tijdens de zittingsperiode. De meest voor de hand liggende oplossing
is
dat elke kandidaat een vervanger aanwijst. Deze zou al bij de
verkiezingen bekend moeten zijn.
In dit stelsel worden de voordelen van persoonlijke vertegenwoordiging
gecombineerd met die van evenredige vertegenwoordiging. Kleine
minderheden houden hun stem. Bovendien verdwijnt de vaagheid van het
huidige Nederlandse kiesstelsel: men stemt ondubbelzinnig op een persoon.
Mat Huizing