(Opmerking: dat democratieen niet met elkaar in oorlog kunnen raken, wordt ook beweerd (naar ik inmiddels heb ontdekt) door andere lieden, met name Bruce Russett en Spencer Weart. Ik houd u op de hoogte.)
Er zijn vele redenen voor de burgers waarom een democratie wenselijk is. Een democratie is doorgaans economiesch welvarender, in een democratie komen geen hongersnoden voor, een democratie levert periodiek het circus van de verkiezingen. En in een democratie heeft een burger minder kans in een oorlog betrokken te raken.
Over dat laatste punt valt wel wat meer te zeggen. Allereerst zal ik beschrijven wat ik bedoel met een democratie, vervolgens zal ik proberen toe te lichten waarom een democratie niet met een andere democratie in oorlog zal raken. Daarna zal ik onderzoeken of het historische bewijsmateriaal de hiet opgeworpen stelling ook inderdaad ondersteunt: zijn er tegenvoorbeelden te vinden?
Allereerst: wat is een democratie? Met een democratie bedoel ik een
souvereine eenheid (in de praktijk een natie) die de volgende kenmerken
heeft.
1. de politieke macht ligt niet bij een kleine en/of afgesloten, ontoegankelijke
groep. Dit houdt in:
- alle burgers of althans een grote, representatieve groep kan deelnemen
aan de poltieke machtsvorming. In de praktijk betekent dit het passief
en actief kiesrecht, of iets dat dicht in de buurt komt, van alle burgers
boven een bepaalde leeftijd.
- de groep kiezers is in voldoende mate homogeen en intern mobiel.
Er mag niet een diepe kloof tussen twee of meer deelgroepen binnen de groep
kiezers zijn, die tot gevolg heeft dat machtsvorming slechts binnen zo’n
deelgroep kan optreden. De politieke markt moet voldoende open zijn. (Naties
met een diepgaande raciale, sociale of religieuze tegenstelling hebben
hier een fundamenteel probleem.)
- er moet voldoende mogelijkheid tot vrije communicatie en meningsvorming
zijn.
2. er is een stabiel rechtsstelsel, waarbij iedereen gelijk voor de
wet is.
3. de staat is niet dominant op economische gebied. In de praktijk
betekent dit: het particulier eigendom, en de vrije ondernemingsgewijze
productie zijn overheersend. (Als dit niet het geval is, is iedereen afhankelijk
van de staat als werkgever, en zal vrije meningsvorming en machtsvorming
in het gedrang komen.)
4. De bekende basisvrijheden zijn gegarandeerd: vrije meningsuiting,
recht van vergadering en vereniging, godsdienstvrijheid. Deze rechten zijn
wenselijk in zichzelf, maar ook om mechanismen als vrije meningsvorming
te laten werken.
In essentie komen deze criteria erop neer dat een democratie is staatsvorm is, waarbij de individuele burgers degenen zijn om wie het draait, en van wie de belangen zo goed mogelijk worden gediend, en niet de belangen van een abstracte entiteit als de staat zelf, of de belangen van een kleine deelgroepering.
In werkelijkheid is er geen enkele natie, nu niet, en in het verleden niet, die volledig aan deze criteria voldoet. Desalniettemin is het vrij makkelijk mogelijk om een tweedeling te maken tussen democratieen en de rest, al zijn er enkele lastige twijfelgevallen, met name in het verleden.
Als een gevolg hiervan heeft een democratie een grote weerstand tegen het voeren van een oorlog. Een oorlog is zelden aantrekkelijk is voor de burgers van een natie. Soldaten (en dat zijn ook burgers) sterven of raken gewond, een oorlog kost buitengewoon veel geld dat door de burgers zal moeten worden opgebracht. Een oorlog zal alleen dan begonnen worden als burgers zich rechtstreeks in hun bestaan, hun bezit of hun vrijheden bedreigd voelen, en dan nog alleen als de verwachte opbrengsten tegen de kosten opwegen. En deze afweging van de burgers is essentieel omdat in een democratie zij uiteindelijk bepalen wat er gebeurt.
Een bedreiging zoals hiervoor genoemd kan nooit van een andere democratie
komen. Want waarom zou een democratie een andere democratie bedreigen?
Gebiedsuitbreiding? Die is misschien interessant voor de status van
de machthebbers, of voor de abstracte entititeit van de staat zelf, maar
niet voor de individuele burgers. Het te annexeren gebied is namelijk al
eigendom van burgers van de andere staat, en de burgers van de annexerende
staat hebben hieraan alleen misschien iets als die anderen uit hun rechten
worden ontzet. Dit strijdt met de beginselen van de democratie.
Simpelweg de toename van het aantal inwoners van een natie is voor
de inwoners van dan die natie zelf niet interessant, behalve misschien
als het nationale voetbalteam hierdoor in kracht toeneemt.
Roven van goederen? Ook dit strijdt met de beginselen van de democratie.
Religie? Omdat een democratie vrijheid van godsdienst heeft, kan het
opleggen van een religie aan anderen nooit een reden voro een oorlog zijn.
Uitbreiding van het democratische stelsel? Nee, want een andere democratie
heeft al hetzelfde stelsel. Het zou wel kunnen gebeuren dat
een democratie besluit het eigen stelsel uit te breiden naar een andere
natie, om de inwoners van die natie te helpen. Omdat de prijs van een oorlog
hoog is, zal dat niet snel gebeuren op initiatief van de betrokken democratie.
Op zichzelf zouden enkele van deze overwegingen aantrekkelijk kunnen zijn voor de burgers van een democratie, maar het is duidelijk dat, als de burgers deze voordelen willen incasseren, de democratie ophoudt een democratie te zijn.
Voor een niet-democratie kunnen al deze argumenten wel geldig zijn, omdat in een niet-democratie niet het belang van de burgers voorop staat, maar dat van een kleine groep machthebbers, of zelfs van de staat zelf, wat dat belang ook mag zijn.
De stelling is duidelijk: democratieen raken niet met elkaar in oorlog. Gaat dit ook inderdaad op als men naar de oorlogen kijtk die zich in de loop van de geschiedenis hebben afgespeeld? Ja, inderdaad. Maar er is een mogelijke uitzondering: Duitsland in 1914.
Zoals bekend raakten Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in 1914 in oorlog met Servie, Rusland, Frankrijk, Groot-Brittannie en Belgie. De laatste drie kunnen, als men corrigeert voor de toenmalige tijd, gelden als democratieen. Servie, Rusland en Oostenrijk-Hongarije niet, al waren bij de laatste twee wel sterke bewegingen die kant op zichtbaar. Duitsland is een twijfelgeval. Formeel was het zeker geen democratie, maar er waren toch wel erg veel elementen van aanwezig. Nog een interessante, zij het hypothetische, vraag is: zou Duitsland niet aan die oorlog met Frankrijk c.s. begonnen zijn als het wel een democratie was geweest? Het enthousiasme van de meeste burgers en het stemgedrag van vrijwel alle partijen in het parlement doen vermoeden dat men misschien toch aan die oorlog zou zijn begonnen. Weer een andere vraag is hoelang men er mee zou zijn doorgegaan.
Mat Huizing